enflogo

Onderzoek nepnieuws en de Europese Unie

Onderzoek nepnieuws en de Europese Unie

Als een van de meest invloedrijke denkers legde Montesquieu de basis van de moderne rechtstaat met haar scheiding van de drie machten: de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende. In het tijdperk van de massamedia kwamen de media erbij als vierde macht. Dit onderzoek brengt in kaart hoe de media en politiek elkaar beïnvloeden en hoe de EU zelfs plannen smeedt om media te censureren.

Hoewel geen onderdeel van deze klassieke ‘Trias Politica’, speelt de vrije pers een belangrijke rol in het systeem van het evenwicht der machten. Daar waar de politiek keuzes maakt in naam van de burger, stelt de vrije pers vragen in naam van de burger. Het is van belang dat die vragen in alle onafhankelijkheid worden gesteld, en dat de vragen en antwoorden bijdragen tot het vormen van opinies maar dat zelf niet zijn. Met andere woorden: het is aan de pers om zichzelf zó te organiseren dat zij geen onderdeel wordt van de politiek.

Vanuit dit beginsel zouden journalisten bij voorkeur geen lid van een politieke partij dienen te zijn. De vrijheid van de pers kan wettelijk worden geregeld – hoe de pers dat invult niet. Om dit te waarborgen is ‘onafhankelijkheid’ op zich niet voldoende: het gaat om onpartijdigheid. Het is aan de beroepsgroep om hierin verantwoordelijkheid te nemen; het is aan de overheid om na te denken over de functie van de voorlichters.

Het is duidelijk dat als de eerste drie machten de vierde willen invullen en zelfs gaan overheersen, dat er dan geweld wordt gedaan aan de vertegenwoordigende democratie. In ieder geval zou dit het einde betekenen van het vrije debat, de vrije uitwisseling van standpunten en meningen, die een voorwaarde blijkt voor een democratie van geïnformeerde burgers.

Het onderliggende idee is dat consumenten in een vrije markt kiezen voor informatie, kiezen voor wat nep en echt is op grond van een individueel oordeel, en kwaliteit onderscheiden van niet-kwaliteit. De veronderstelling die wordt uitgedragen is dat de consument zich oriënteert op nieuwsbronnen en vervolgens bepaalt.

Helaas is dit sinds de digitalisering van nieuws niet langer aan de orde: Google en aanverwante techbedrijven geven via algoritmes vorm aan een informatiemonopolie. Zij bepalen welke nieuwsberichten goed vindbaar zijn en welke niet, met alle politieke implicaties van dien. De overheid voelt geen noodzaak om hierop in te grijpen, want de alliantie van techgiganten staat aan de kant van progressieve beeldvorming. De drie machten varen er wel bij dat ‘populistisch’ nieuws door de techgiganten wordt beperkt en ingedamd, zoals overeenstemt met de richtlijnen van de EU. Dit onderzoek brengt dit proces in kaart.

Het onderzoek laat zien dat er een tweesporenbeleid van kracht is. Ten eerste wordt vanuit overheden en de EU mediacontent verdacht gemaakt die conservatief en ‘populistisch’ van aard is: deze wordt aangemerkt met termen als ‘fake news’ en ‘disinformation’. Er is sprake van voorbereidende wetgeving tot criminalisering en dit is geheel in lijn met bijvoorbeeld de brief van Donald Tusk genaamd ‘United we stand, divided we fall’, waarin hij populisme betitelt als “gevaar” en “bedreiging”. Ook kent deze criminalisering overeenkomsten met het Duitse mediabeleid sinds NetzDG.

Het tweede spoor is de werkwijze van de sociale media platforms zelf. Zij omzeilen de zojuist aangehaalde discussie door conservatieve en ‘populistische’ content te benoemen als ‘strijdig met de gebruikersvoorwaarden’ en te vernietigen dan wel onzichtbaar en moeilijk vindbaar te maken. In de praktijk gaat dit uit van legers linkse activisten die content ‘flaggen’ en rapporteren waarmee de administrators een argument hebben om van deze content af te komen. Dit is precies zoals zij afkwamen van Alex Jones, bekend van het platform ‘Infowars’. Hij werd verbannen op alle grote platforms tegelijk, van Youtube tot Spotify en al snel ging ook Twitter overstag. In het Engels heet dit Big Tech Collusion.

De casus Alex Jones heeft laten zien hoe de sociale media op een politiek gemotiveerde wijze content vernietigen die als ‘populistisch’ kan worden geïnterpreteerd: zij beroepen zich liever op het criterium ‘dit is hate speech en schond de gebruikersvoorwaarden’ dan op ‘dit is fake news’. Vanuit die laatste motivatie zouden sociale media zichzelf officieel aanmerken als scheidsrechters over wat waarheid is. Dit laatste zou de techbedrijven vatbaarder maken voor politieke en academische kritieken, wat commerciële nadelen heeft.

In dit onderzoek wordt uitvoerig ingegaan op de verschillende stappen die de EU tot dusver heeft doorlopen om richtlijnen voor te bereiden die conservatieve en ‘populistische’ content en meningen criminaliseren. Dit wordt gedaan onder de vlag van ‘disinformatie’ – internetcontent die volgens de EU de democratische rechtsorde zou verstoren. Het onderzoek geeft daarom veel aandacht aan de specifieke casussen die laten zien hoe het nepnieuwsdossier wordt geframed. De framing door de EU wordt gedeconstrueerd met tegenvoorbeelden en alternatieve analyses om disinformatie te verklaren.

Hieruit blijkt dat de discoursvorming rond nepnieuws en disinformatie aanzienlijk verdergaat dan de feitelijk geringe omvang en impact van nepnieuws en disinformatie als geconstateerd probleem. Beleid op nepnieuws lijkt te zoeken naar een toolset om populisme aan te pakken, en kan te gemakkelijk worden misbruikt om de media te beknotten die het conservatieve en ‘populistische’ geluid ruimte bieden.

Enkele bevindingen uit het onderzoek:

    • EU-kopstukken blazen populisme en nepnieuws op tot existentiële bedreigingen: zij doen dit op een wijze die de feitelijkheid overstijgt.
    • Europese en nationale instituties zijn dikwijls niet goed op elkaar afgesteld en dit zorgt voor meer chaos en ruis dan dat media ooit zelf kunnen creëren.
    • De handvaten in EU-verdragen zijn juridisch ontoereikend voor de oprichting van EU-instituties tegen disinformatie.
    • De EU wil de vrije, kritische en autonome mediagebruiker maar wil die gebruiker dan wél sturen qua nieuwsconsumptie.
    • Nepnieuws speelde een grote rol in de Irak-oorlogen: dit werd echter niet geïnstigeerd vanuit Russische trollen of obscure weblogs, maar vanuit de mainstream media.
    • De algoritmes en selectiemechanismen van de sociale media platforms zijn allesbepalend als het gaat om de reikwijdte van een bericht: niet de intentie van de schrijver van het bericht.
    • Digital Amplification en het ‘familievriendelijk’ maken van sociale media platforms, hebben tot gevolg dat niet meer inzichtelijk is welk geluid wordt versterkt en welk geluid wordt benadeeld. Het leidt tot ondoorzichtige concurrentievervalsing op de vrije markt van ideeën: dit wil zeggen ondemocratische concurrentievervalsing bij de uitwisseling van overtuigingen in het publieke debat.

Een relevante conclusie is verder dat de werkwijze van de sociale mediaplatforms in de praktijk vooralsnog meer invloed heeft op het verwijderen van conservatieve en ‘populistische’ content dan de reguleringsvoorstellen door de EU. Dit is omdat de strategie die de sociale media platforms en de techgiganten hanteren, géén uitgewerkte definities behoeft van wat waarheid en onwaarheid is. Ook is er nauwelijks een juridisch fundament nodig wanneer men het gooit op ‘violation of terms of service’.

Het gebruik van de term ‘vrijheid van meningsuiting’ wordt binnen de digitalisering van de publieke ruimte uiterst problematisch. Zo zien we dat binnen de casus van Alex Jones, sociale media platforms en de techgiganten het gooien op: u heeft vrijheid van meningsuiting binnen onze gebruikersvoorwaarden. In de praktijk is dit een krimpend raam van toegestane opinies en content – zie het activistische flag-gedrag van linkse activisten. Ten tweede zullen de sociale media blijven beweren: ‘U heeft vrijheid van meningsuiting maar we hoeven uw content niet bovenaan de feeds en de threads te laten verschijnen’ – in de praktijk betekent dit het minimaliseren van het effect en de impact van conservatieve en ‘populistische’ meningen.

Twee opties die aan de hand van het onderzoek verder kunnen worden onderzocht:

  1.  Het invoeren van een wet die hard oplegt aan de sociale media platforms en techbedrijven dat conservatieve en ‘populistische’ media evenveel recht hebben op netto bereik als ‘linkse’ en anders gekleurde media – bereik ingevuld als netto aantal views.
  2. Waar men niets voelt voor een exposure law, kan worden ingezet op de toepassing van antimonopolie: het opbreken van techgiganten zoals gebeurde met de Bell Company.

Echter gezien Mark Zuckerberg openlijk aangaf in zijn overhoring door zowel Amerikaanse als Europese politici, dat in de techwereld “overwegend linkse tot extreemlinkse opinies domineren”, is nauwelijks te verwachten dat het opbreken van techgiganten tot kleinere bedrijven zal leiden tot meer pluriformiteit in de dominante politieke kleuren en geluiden.

Het volledige onderzoek ‘Nepnieuws en de Europese Unie’ wordt binnenkort gepubliceerd.